De interviewer

'Pieter Webeling is een van Nederlands meest succesvolle interviewers'
NRC Handelsblad



Stacks Image 46

Pieter Webeling, oud-redacteur van HP/De Tijd, is sinds 1991 freelancer. Sinds jaar en dag is hij een van de huisinterviewers van de Volkskrant en het glossy kwaliteitsblad Jan. Met Frénk van der Linden schreef hij jarenlang de serie '34-vragen' voor Nieuwe Revu: grote interviews met ministers, staatssecretarissen, fractieleiders en andere politieke en maatschappelijke kopstukken. Tegenwoordig schrijven ze nog steeds samen, nu voor de Volkskrant. Ze maakten spraakmakende portretterende interviews met maatschappelijke prominenten als DNB-president Klaas Knot, werkgeversvoorzitter Hans de Boer en PvdA-voorzitter Hans Spekman.

In september 2016 verscheen 'Het mooiste woord is herinnering', een boek over alzheimer en mantelzorg dat hij samen met Frénk van der Linden schreef voor het VUmc Alzheimercentrum. Met ondermeer: Linda de Mol, Freek de Jonge, Edith Schippers en Martin van Rijn, Co Adriaanse, Maarten van Rossem en tal van andere mensen van naam en faam.






W. F. Hermans over de schrijfmachine (1993)

‘Er loopt een mier langs het lint. Wat zal er in die mier omgaan, bij al dat samengebalde geweld van stalen hefbomen?’


Hij hoort stemmetjes. Stemmetjes van al zijn schrijfmachines die óók een meesterwerk willen schrijven. Willem Frederik Hermans over de twijfel of hij wel goed genoeg is, zijn fascinatie voor een reuzenschrijfmachine, de gierigheid van Vestdijk en het wachten op de doodklap van de computer.




Hoeveel woorden telt een roman? Ik pakte een willekeurig boek van rond de tweehonderdvijftig pagina’s uit de kast — en telde. Nou nou. Om dàt allemaal op te schrijven, met kroontjespen en inkt... een hoop werk. Van jongsaf aan was het voor mij moeilijk een pen te hanteren. Nu kan ‘t helemaal niet meer: mijn arm is gedeeltelijk verlamd. Bovendien is mijn handschrift altijd slecht geweest. Wel leesbaar, maar lelijk. Ongelooflijk lelijk. Dat past toch niet bij literaire schoonheid.
Gelukkig had ik een schrijfmachine — een mooi verlengstuk van mijn schrijvende hand. Het is voor mij dus prettig dat ik met minder lichamelijke inspanning een goed leesbare tekst kan voortbrengen. Zonder de schrijfmachine zou ik waarschijnlijk nooit schrijver zijn geworden.


Mijn eerste roman, Conserve, schreef ik in 1943 op de portable Underwood van mijn zuster. Inderdaad, twee jaar daarvoor had ze zelfmoord gepleegd. Dat verhaal schrijven op dit erfstuk vond ik een goede bestemming. De schrijfmachine was het daar ook mee eens; zij heeft me nog lang trouw gediend. Later kocht ik een Erika, een Oostduits fabrikaat. Erg slecht. Ging steeds kapot — die Oostduitsers hadden natuurlijk geen zin om hard te werken. Als er nu iets mis is met een lintheffer, veertrommel of verspringinrichting kan ik het moeiteloos verhelpen, maar toen had ik daar nog geen verstand van. In een vlaag van woede heb ik het volksdemocratische prachtstuk door de kamer gesmeten. Trapte ik ook nog de stoel kapot; ik sprong op en neer met mijn schoen door de zitting. Een zeer belachelijk gezicht. Wie wordt er nou boos op een schrijfmachine?
In 1963 kocht ik als vervanger een oude, solide Barlock. Een gebouw van gietijzer. En kort daarna trof ik een opvouwbare schrijfmachine op de markt in Brussel. Een Hammond Folding, nog steeds een van de zeldzaamste machines in mijn verzameling. Een wonder! Ik ging wel eens naar Londen, daar kende ik een smerige rommelmarkt waar ik voor één pond, toen zes gulden, aan stokoude schrijfmachines kon komen. Die sjouwde ik dan naar de boot, soms wel vier tegelijk. Zo ben ik gaan verzamelen. Een schrijfmachine is toch mijn instrument, mijn werkinstrument. Je hebt ook oude zeekapiteins die modellen van schepen verzamelen, nietwaar? Nog steeds bezoek ik enkele keren per week een rommelmarkt, hier in Brussel. Maar ja. De schrijfmachine gaat er helemaal uit, hè?
In de afgelopen dertig jaar heb ik een collectie opgebouwd van ongeveer honderdzestig exemplaren. En wat dan wel meer gebeurt: de verzameling keert zich tegen zijn eigenaar en probeert de overhand te krijgen. Ik hoor stemmetjes: Ik, ik, ik — ik ook ‘ns meesterwerk schrijven! Dan krijg ik gewetensbezwaren. Het liefst schrijf ik op al mijn schrijfmachines tegelijk.




Weet u welk boek ik ooit nog eens heb willen schrijven? ‘De genetica van de schrijfmachine’. Van huis uit ben ik geoloog, zoals u weet. Nou, als je de paleontologie — de wetenschap van de fossielen — doorloopt, kom je van de onderste tot bovenste bodemlaag allemaal dieren tegen die na verloop van tijd zijn uitgestorven. Bij de schrijfmachine is dat min of meer ook het geval. Maar de beste principes werden al in 1874 gepatenteerd door Remington; daarna volgden ook modellen met slechtere oplossingen. Zo had je een Smith Premier, met aparte toetsen voor hoofd- en kleine letters. Het gekke is: dat ding werd nog jaren verkocht. De metafoor van de genetica gaat dus niet helemaal op, want in de paleontologie nemen we aan dat zwakke dieren vanuit het darwinistische principe meedogenloos worden uitgeroeid door betere ‘soortgenoten’.
Voor de schrijfmachine is het nu wachten op de doodklap van de computer. Terecht?! Meneer. Menéér. De computer is toch niet beter! Wat is daar beter aan? Zo’n ding is misschien een vooruitgang op kantoor, een brief ziet er netjes uit. Maar voor particulieren? De mens is nu eenmaal feilbaar, nietwaar? Fouten in mijn getypte brief verbeter ik met de pen, daar geneer ik me niet voor. Ik ben tenslotte de secretaresse van de Shell niet, die keurige brieven naar Amerika moet versturen. En dat geldt toch voor de meeste mensen? Wat móeten ze nou met een computer? Opschrijven hoeveel ze voor de spinazie bij de groenteboer hebben betaald, zodat ze na een ingewikkelde calculatie kunnen zien dat de prijs na een half jaar is gestegen met dertien cent?
Ik wil niets weten van die rotcomputers. Niets. Vrienden hebben me wel eens geprobeerd uit te leggen hoe het werkt, ik viel na drie minuten in slaap. Option, repeat, backspace... oooh, nee zeg, verschrikkelijk. Waarom zal ik me nu nog gaan uitsloven voor zo’n lullig schermpje als ik al vijftig jaar heel eenvoudig op een schrijfmachine werk? De hoofdzaak is de tekst die eruit komt. Hoe — dat is van secundair belang.
Ik word er een beetje mies van. Op de rommelmarkt kom je praktisch nieuwe, overbodig geworden schrijfmachines tegen. En de kooplui gaan er zo slordig mee om. Gaat het regenen? Láát maar regenen, hoor. Zie je die machines in de loop van een paar weken steeds verder verroesten. Dat snijdt mij door het hart. Want ook al is een schrijfmachine niets meer dan een verbeterd soort takje om mee in het zand te schrijven — na een halve eeuw trouwe dienst zie ik hem toch als mijn kameraad.


Ik tik met twee vingers. Eigenlijk zou ik het blind met tien moeten kunnen, maar ik heb nooit les genomen. Sinds kort werk ik op een oude, maar heel gave 650-X elektrische IBM — zo’n mooooie machine. Het is een van de laatste schrijfmachines die IBM gemaakt heeft. Zij is geavanceerder en geruislozer dan mijn vorige, ook met zo’n bolletje. Bij dit type verschuift de wagen niet, dus als ik in klad schrijf kan ik telexrollen gebruiken. Hoef ik niet telkens het blaadje te verwisselen. Zo ontneem ik mijzelf de uitvlucht om na elk getikt vel te pauzeren.
Toch treuzel ik nog steeds om achter mijn schrijfmachine te gaan zitten. Dat komt voort uit mijn bescheiden inborst: ben ik wel goed genoeg? Ben ik niet te klein om de prachtige roman die ik in mijn hoofd heb op papier te zetten? Maar dan klim ik inwendig op een stoof — en kan ik er toch bij, hoop ik. Als ik niet schrijf, word ik somber. Waarvoor besta ik eigenlijk, wat is de zin ervan — het leven is niets anders dan schijn, vol leugen en bedrog. Zo mopper ik dan, totdat ik ’s avonds tegen mezelf zeg: ‘Godverrrdomme, als er nou niks gebeurt... kan ik net zo goed uit het raam springen. Vooruit!’
U zegt dat de schrijfmachine regelmatig in mijn werk opduikt. Blijkbaar gaat dat vanzelf, ik ben ‘t me niet bewust. Mja, in De God Denkbaar tikt een pater in de jungle op een schrijfmachine. Er loopt een mier langs het lint. Wat zal er in die mier omgaan, bij al dat samengebalde geweld van stalen hefbomen? Hij zal wel denken: ‘Ik had mij het leven anders voorgesteld.’ Slauerhoff, geloof ik.
Maar denkt u zich eens in, een reuzenschrijfmachine, met armen zo groot als een bouwkraan, letters zo groot als een etalageruit, en dan knàl, bom. Zou dat niet fantastisch zijn? In De God Denkbaar komt zo’n monstermachine voor. Daarin valt een kind naar beneden, dat in zijn vlucht wordt gegrepen door een hamer en pats — tegen de papierrol te pletter slaat. Er vormt zich een druipende, rode X: de bloedige ondertekening van het doodvonnis van de hele wereld.
Wat zouden de vorige eigenaars op mijn schrijfmachines hebben geschreven? Daar mijmer ik wel eens over. De meeste zijn waarschijnlijk afkomstig van notaris- of deurwaarderkantoren, maar zóu er eentje bij zijn waarop iemand een of ander meesterwerk heeft geschreven? Na de dood van Vestdijk heb ik zijn schrijfmachine gekregen, een grote Remington. Zo’n exemplaar heeft dan toch een aparte waarde; ik heb hem ook later aan het Letterkundig Museum geschonken. Vestdijk was een gierige man. De letter ‘t’ ontbrak; reparatie kostte hem teveel, 1,75 in zijn tijd. Op manuscripten zie je dat hij de ‘t’ met een pennetje invulde. Moet je toch zwaar gek zijn.